Zomaar een zaterdag, zomaar een voetbalwedstrijd ergens in de provincie. Zoals gewoonlijk sta ik gewapend met mijn pen, notitieblok en camera langs de lijn. Laat alle grappen over me heen komen die ik wekelijks hoor. Of ik het rolletje er wel in gedaan heb en of ik wel verstand van voetbal heb. In beide gevallen speel ik het spelletje gewoon mee. Zeg dat ik het rolletje vergeten ben en dat er genoeg voetbalverstand om me heen staat als ik dat nodig mocht hebben.
De eerste gang naar een complex leidt me altijd richting bestuurskamer. De plek waar je veel verhalen hoort die nooit naar buiten komen. Omdat dit in mijn ogen een ongeschreven code is tussen verslaggever en clubs. Wat je daar hoort, blijft daar. Er wordt wat over koetjes en kalfjes gesproken en een vluchtige blik op de opstellingen geworpen. In de ene bestuurskamer gaat dat wat gemakkelijker dan de andere. In de meeste gevallen zit er wel iemand met kennis van zaken die het papierwerk door de printer jaagt en belangstellenden van de nodige informatie voorziet. Soms is het ook behelpen geblazen. Dan moet je naar de omroeper van dienst die een kladje tevoorschijn tovert met namen die hem zijn toegespeeld. Om vlak voor de wedstrijd te ontdekken dat er van de opgave van de tegenstander niets klopt. Omdat de trainer het te druk had met andere zaken en gewoon naar het programmaboekje heeft verwezen. Jammer dat daar dan weer spelers in staan die op vakantie zijn of op krukken langs het veld lopen. Dan moet ik er in de pauze weer achteraan. Maar goed, daar waar ik mezelf een middagje voetbal heb beloofd, zijn de zaken prima geregeld. Ik ben vaak langs de achterlijn te vinden en dat is nu niet anders. Binnen een kwartier heeft de camera al heel wat ‘klikjes’ gemaakt en zijn er her en der wat aantekeningen op papier gezet. Dat de thuisclub bijvoorbeeld compact speelt, achterin goed georganiseerd staat en weinig weg geeft.
Achter mij schreeuwt iemand de vogels uit de bomen als hij de grensrechter van de tegenpartij op een fout denkt te betrappen. ‘Leg je vlag maar neer. Jij kunt er helemaal niks van’, bijt hij de assistent toe. Na de zoveelste kanonnade, waarbij hij zelfs zijn favorieten onder het gras stopt en sommigen ten onrechte van werkweigering beticht, zoek ik een ander plekje op om een foto te maken. Omdat het licht daar beter is zeg ik dan. ‘Toch maar even op niveau praten?’, klinkt het naast mij. Even wachten dan, want een aanval van de gastheren ziet er veelbelovend uit en leidt zowaar tot succes. ‘Hes’t doelpunt d’r op stoan?’, wordt mij gevraagd. Ja, dat heb ik. En omdat de actie die tot de goal zou leiden een fraaie was, is de kans vrij groot dat die bij het verhaal wordt geplaatst.
Tijdens de pauze heeft iedereen een mening over de eerste drie kwartier. De een vindt het niks, de ander prijst de plaatselijke favorieten voor hun inzet. Wat ik er van denk willen ze ook nog wel weten. Ik geef mijn mening en dan is het even stil. ‘Ach ja, jij kijkt natuurlijk ook met een andere bril naar de wedstrijd’, wordt er gezegd. Inderdaad, het is mijn taak om objectief te blijven. Onderweg naar de bestuurskamer voor een kop koffie staat een van de wissels van de tegenstander een sigaret te roken en lurkt zijn ploeggenoot aan een fles bier. Of ik daar ook iets van moet denken? Ik heb wel gekkere dingen meegemaakt. De tweede helft is nog maar amper op gang gekomen of de vogelverschrikker heeft mij weer gevonden. Hij buldert er lustig op los en heeft overal commentaar op. Als ik hem op zijn ongelijk probeer te wijzen, krijg ik te horen dat ik niks van het spelletje begrijp. Het wedstrijdbeeld verandert amper. Iedereen kan zien dat de thuisclub de rijen goed gesloten houdt en de momenten zorgvuldig uitkiest waar men voordeel uit denkt te kunnen halen. Dat de tegenstander niet in staat is om zich door de hechte defensie heen te voetballen. En dus blijkt die ene treffer in negentig minuten goud waard te zijn. Een gelukkige zege vindt de een. Een terechte overwinning zegt de ander.
Na afloop nog even snel naar de bestuurskamer, want ik wil nog even met de beide trainers kletsen. Ze zijn eensluidend in hun mening en dat versterkt bij mij het gevoel dat ik er toch niet zo ver naast zit met mijn bevindingen. Twee bitterballen en een colaatje later neem ik afscheid. ‘We lezen het wel weer’, wordt mij nog snel toegeroepen. Ja, dat komt wel goed. Onderweg naar de parkeerplaats slaat mijn bulderende ‘stalker’ me op de rug. ‘Dat hebben we toch maar mooi geflikt. Ze hebben prima gespeeld vandaag, of niet dan?’ Ik haal mijn schouders op en vertel hem dat hij mij dat niet moet vragen. Ik heb immers geen verstand van voetbal.


