Het is vroeg in de zaterdagmorgen. Om een uur of half acht zitten er zes kereltjes van een jaar of tien op mijn hekwerk voor het huis. Ze willen allemaal met hun jeugdleider meerijden. Naar een wedstrijd die drie uur later pas begint. Op een veld waar ze waarschijnlijk de schapen nog weg moeten jagen en de uitwerpselen opruimen. Het gras staat er hoog genoeg om de consul van tegenwoordig hoofdbrekens te bezorgen. Wat nou maaien of zeuren over een onbespeelbaar veld. Vroeger wilden we voetballen en maakte het niet uit hoe het veld er bij lag. En kunstgras? Daar had toen nog nooit iemand van gehoord. Het moge duidelijk zijn, het sportlandschap is de afgelopen decennia flink veranderd.
door Nanko Kiel
Dat gevoel kwam weer bij me op toen ik zaterdag naar het duel tussen Omlandia en NEC Delfzijl keek. Wonderbaarlijk genoeg werd er gewoon op natuurgras gespeeld. Niet op het kunstgras achter de kantine. Alsof moeder Natuur de Ten Boerster velden had gespaard bij het over de regio uitstrooien van winterse ongemakken. Sterker nog, het hoofdveld lag er eigenlijk best wel goed bij. En dus zochten de toeschouwers de zijlijn op, hokten ze samen op de tribune en deed de speaker van dienst zijn uiterste best om sommige spelersnamen zo te verbasteren dat ze helemaal niet meer uitgesproken konden worden.
Terwijl de acteurs druk doende waren om elkaars doel te bestoken, werd er langs de lijn al snel gediscussieerd over de KNVB. Met name over het uitblijven van een echte winterstop en het spelen op natuurgras en kunstgras. De doorgewinterde liefhebbers vervloeken de plastic sprieten met de rubberkorrels er tussen. Ze vinden er niks natuurlijks aan dat steeds meer verenigingen zo’n mat neergelegd ‘krijgen.’ Ze missen vooral de geur van echt gras en misschien ook wel het geploeter in de modder.
Voorstanders schudden de voordelen van de kunstmatige bodembedekking gemakkelijk uit de mouw. Het is duurder in de aanschaf, maar gaat langer mee en scheelt in onderhoudskosten. Je hoeft daarnaast niet zo snel meer tot afgelasting over te gaan vanwege regenval. Tenzij het natuurlijk met bakken uit de hemel valt. Dat in tegenstelling tot natuurgras. Een plens hemelwater vlak voor het weekend en op een flink aantal sportparken in de regio kun je zelfs vandaag de dag rijstplanten poten. In de zomerperiode wil het nog wel eens lang droog blijven. Als de zon dan ook nog dagenlang schijnt, verbrand een natuurgrasveld sneller. Kunstgras heeft daar geen last van. Het enige dat je kan gebeuren is dat bij erg veel zomerwarmte de geur van verbrand rubber je neus binnen dringt. Alsof Formule 1-coureur Max Verstappen zojuist een flinke spin heeft gemaakt.
De laatste tijd hebben we vooral met winterse perikelen te maken gehad en moest ook menig kunstgrasveld er aan geloven. Bij de ene vereniging werd een sjovel ingezet om de sneeuwhopen van het speelveld te duwen, terwijl verderop geen vinger werd uitgestoken om het groene tapijt onder het witte goedje vandaan te toveren. En dat leidde vervolgens tot een soort van verontwaardiging. ‘Waarom voetballen zij niet? Ze hebben toch kunstgras?’ Klopt, maar leveranciers raden over het algemeen af om de sneeuw te verwijderen. Als je het toch doet? Dan verdwijnt er ook een lading rubberkorrels. En dus zijn er verenigingen die er voor kiezen om de natuur zijn werk te laten doen. Wacht men met spelen totdat de mat weer tevoorschijn is gekomen.
En daarom werd er in Ten Boer gewoon op natuurgras gespeeld en op het kunstgras van DVC Appingedam niet. Daar zullen die kereltjes bij mij op het hek nooit bij stil hebben gestaan. Dat we ooit nog een keer voor dat soort besluiten zouden komen te staan. Maar ja, zoals ik al zei. Tijden veranderen. En daarmee ook het sportlandschap waarin en vooral waarop wij de sport beleven.


